Hoe ervaren mantelzorgers met een migratieachtergrond de samenwerking met zorgprofessionals in het ziekenhuis? Daar deed Sue Winterdal onderzoek naar voor het honourstraject van haar masterstudie Geneeskunde. Dat onderzoek deed zij in samenwerking met Markant. Het blijkt dat mantelzorgers vooral in het begin van het zorgproces van hun naasten, niet genoeg worden betrokken. 

Sue studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam en richtte zich tijdens haar master veelal op de ouderengeneeskunde. Daarnaast was zij al langer geïnteresseerd in mantelzorg. Een interesse die voortkomt uit haar eigen ervaring. “Ik zorgde voor mijn oma met dementie en ik heb een tijd voor mijn vader gezorgd.“ 

Door die ervaring en interesse had ze het gevoel dat ze iets met mantelzorg moest doen, wat uiteindelijk leidde tot een kennismaking met het Expertisecentrum mantelzorgondersteuning van Markant: “Ik ben dus zelf mantelzorger geweest en ben geïnteresseerd in hoe mantelzorgers bepaalde situaties ervaren en hoe we deze voor hen kunnen verbeteren. Zo heb ik contact opgezocht met Markant en ben ik bij het Expertisecentrum mantelzorgondersteuning terechtgekomen. Hiermee wilde ik graag iets doen voor mantelzorgers.” 

In haar onderzoek sprak ze zes mantelzorgers met een migratieachtergrond uitgebreid over hun ervaringen in het ziekenhuis: “Om de samenwerking te toetsen, gebruikte ik het SOFA-model. Dat model helpt bij de samenwerking met de mantelzorger in vier fasen: samenwerken, ondersteunen, faciliteren en afstemmen.”  

Op alle vier de punten bleken mantelzorgers in de praktijk nog weinig te worden meegenomen, maar vooral in de stap ‘samenwerken’. Dat begint volgens Sue al bij het herkennen en erkennen van de mantelzorger. “Voor een goede samenwerking is het belangrijk dat de zorgverlener op de hoogte is of er een mantelzorger betrokken is en welke taken diegene voor de patiënt doet.” 

Als dat gesprek eenmaal op gang komt, wordt dat gewaardeerd: “De mantelzorgers gaven aan dat zij het juist prettig vonden wanneer een zorgverlener vroeg wat zij doen en of zij ergens ondersteuning bij kunnen gebruiken. Vaak kwam dat gesprek echter pas later in het zorgproces op gang, soms pas nadat zij een zorgverlener meerdere keren hadden gezien.”  

Ook bij de fasen ondersteuning en faciliteren zagen mantelzorgers ruimte voor verbetering. “Niet iedereen wist waar hij of zij terechtkon met praktische vragen. Sommige mantelzorgers hadden een casemanager die hielp bij het aanvragen van ondersteuning of het regelen van praktische zaken. Anderen misten zo’n laagdrempelig aanspreekpunt.” 

Uit de gesprekken kwam ook naar voren dat verpleegkundigen vaak toegankelijker zijn dan artsen. “Verpleegkundigen worden als toegankelijker ervaren dan artsen. Zij zijn tijdens een opname vaker betrokken bij de dagelijkse zorg en daardoor voor mantelzorgers vaker laagdrempelig aanspreekbaar voor vragen.” Daarnaast missen sommige mantelzorgers een duidelijk aanspreekpunt. Casemanagers kunnen helpen met praktische zaken, maar niet iedereen heeft toegang tot zo’n tussenpersoon. 

Voor Sue is het advies aan zorgprofessionals van ziekenhuizen naar aanleiding van het onderzoek duidelijk: “Zorg dat de mantelzorger (met een migratieachtergrond) vanaf het eerste gesprek wordt meegenomen. ‘Wie heeft u meegenomen of wie ondersteunt u vandaag? Dan is de relatie tussen de patiënt en naaste ook duidelijker. Dit kan prima tijdens een eerste gesprek natuurlijk.” 

Sue is inmiddels basisarts. Ze weet nog niet welke specialisatie ze kiest, maar de aandacht voor mantelzorg wil ze in ieder geval meenemen in haar verdere werk. “Ik vind ook dat er meer aandacht voor mantelzorg moet zijn. Ja, dat is iets wat ik zeker meeneem.”