Vrijwilligers bieden niet alleen praktische hulp en sociaal contact, maar signaleren ook wanneer iemand extra ondersteuning nodig heeft. Dat blijkt uit het nieuwe onderzoek ‘Toekomst van oudere Amsterdammers’ van Vrijwilligers Centrale Amsterdam (VCA) en Markant.
Voor het onderzoek spraken onderzoekers met ouderen zelf en brachten zij de netwerken van mantelzorgers, vrijwilligers en professionals rondom hen in kaart. Daaruit blijkt dat veel ouderen zelfstandig willen blijven wonen en de regie over hun leven willen behouden. Tegelijkertijd ervaren zij het aanbod van ondersteuning vaak als ingewikkeld en versnipperd.
Belangrijke brug
Juist in die complexe omgeving maken vrijwilligers het verschil. Door hun persoonlijke betrokkenheid zien zij vaak als eerste wanneer iemand vastloopt of extra hulp kan gebruiken. Daarmee vormen zij een belangrijke brug tussen ouderen, hun netwerk en professionele ondersteuning.
Sleutelrol
Ook vrijwilligerscoördinatoren vervullen een sleutelrol. Zij zorgen voor een goede match tussen vrijwilliger en oudere en weten de weg te vinden naar passende ondersteuning wanneer dat nodig is.
Het onderzoek onderstreept dat investeren in vrijwilligerswerk veel meer oplevert dan extra handen alleen. Vrijwilligers zorgen voor verbinding, vroegtijdige signalering en toegankelijkheid binnen een netwerk van ondersteuning dat voor veel ouderen lastig te overzien is.
Dit onderzoek bouwt voort op ‘Samen zorgen voor Amsterdammers’ uit 2024, waarin VCA al aantoonde dat vrijwilligers en vrijwilligerscoördinatoren een belangrijke rol spelen bij het signaleren van en het verbinden van ouderen aan passende hulp.
Download het onderzoek
Benieuwd naar alle inzichten, verhalen en aanbevelingen? Lees het volledige onderzoek Toekomst-van-oudere-amsterdammers.
Voorbeeld uit de praktijk (mantelzorgsituatie uit het onderzoek)
Meneer is een oudere bewoner van de Jordaan die ruim veertig jaar in zijn huidige woning aan een gracht woont. In 2018 kreeg hij de diagnose parkinsonisme. Dit is anders dan de ziekte van Parkinson: hij trilt niet, maar hij heeft wel dezelfde verschijnselen. Zo kan hij steeds moeilijker bewegen. De aandoening is progressief en hij gaat de laatste tijd sneller achteruit.
Na meerdere ziekenhuisopnames door een herseninfarct en een val waarbij hij met zijn hoofd op de tegels viel, is zijn zorgbehoefte flink toegenomen. Hij is nu volledig afhankelijk van hulp en zit in een rolstoel. Zijn woning had al een lift en is aangepast met een hoog-laagbed en andere hulpmiddelen.
Zijn partner is zijn mantelzorger. Zij kennen elkaar als lotgenoten en buren: ze hebben allebei hun eerdere partners verloren. Zij zorgt nu intensief voor hem.
Intensieve zorg
Meneer krijgt thuiszorg, fysiotherapie aan huis en heeft verschillende hulp middelen om zijn leven binnen- en buitenshuis makkelijker te maken. Hiervoor onderhoudt de mantelzorger contact met vele organisaties, ze noemt er wel tien op. ‘De hoeveelheid organisaties vind ik wel heel onoverzichtelijk. Zelfs ik.’
Zijn partner is zelf goed in regelen en zoekt dingen actief op. Maar ze beseft dat dit voor veel ouderen onmogelijk is. Ze zegt: ‘Zeker als iemand het niet gewend is om via internet alles op te zoeken, is het heel lastig.’ Het buurtteam zou hierbij kunnen helpen, maar van dit team is in de loop der jaren maar twee keer iemand langs geweest. ‘Dat contact, ja, dat heb ik nou eigenlijk niet meer nodig. Het gaat nu veel meer rechtstreeks.’
Over de thuiszorgorganisatie is de partner enthousiast: ‘Ik heb niks dan lof. Zo geweldig.’ Toen meneer zijn zorgbehoefte toenam na zijn ziekenhuis opnames, werd de thuiszorg snel bijgesteld. ‘Dat werd allemaal meteen geregeld. Ik hoefde nergens over in te zitten.’
Desondanks is de thuiszorg niet toereikend. Het grootste deel van de zorg komt neer op zijn partner. Ze krijgen daarnaast hulp van een vrijwilliger, die één keer per week drie uur komt om haar te ontzorgen. Daarnaast komen zijn dochters regelmatig langs. Dan kan ze even naar de Albert Heijn of hardlopen. Verder is er weinig verlichting.
Grenzen aan mantelzorg en vrijwillige inzet
Een van zijn dochters ziet de situatie met grote zorg aan. Zij schetst een beeld van totale afhankelijkheid: ‘Hij kan niks zelf doen; soms zelfs niet zelfstandig eten. Zij verleent hem 24-uurszorg.’ Ze benadrukt de wankele balans: ‘Als er iets met haar gebeurt, dan is er een acuut probleem.’ En dat is niet alleen theoretisch – de zorg is fysiek zwaar. ‘Soms moet zij tweemaal per nacht het bed verschonen; dus dat is
echt heel zwaar.’
De vrijwilliger komt bijna een jaar bij meneer en heeft hem snel achteruit zien gaan: ‘In het begin liep hij nog zelf achter een looprek, nu zit hij in een rolstoel.’ Tijdens zijn bezoeken helpt hij hem met de laptop of gaan ze buiten wandelen. Hij noemt het grootste gevaar ‘vallen’. En precies daar zit volgens hem het probleem van de huidige zorgconstructie: ‘Als hij valt, wat dan? Dat kun je niet oplossen met vijf vrijwilligers die de hele week hulp bieden. Want vallen kun je niet plannen.’
Toekomst
Alle drie – de mantelzorger, de dochter en de vrijwilliger – hebben ze een andere blik op wat de toekomst vraagt. Zijn partner wil hem niet naar een verzorgingshuis sturen. De dochter weet dat dit de enige realistische oplossing is, maar heeft daar nog geen indicatie voor aangevraagd omdat haar vader daar niet over kan praten. En de vrijwilliger ziet de situatie als precair en constateert dat meneer niet anders wil.